wat zijn de eisen bij de invoer van diergeneesmiddelen?
Er is ingevolge de Diergeneesmiddelenwet sprake van invoer
indien men een diergeneesmiddel, afkomstig van buiten de EER -
Europese Economische Ruimte zijnde de EU lidstaten plus IJsland,
Liechtenstein en Noorwegen - in Nederland ‘in het vrije verkeer
brengt’.
Hieronder wordt verstaan het uitvoeren van handelingen die bij
invoer noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van de douanestatus
van communautaire goederen, als bedoeld in Verordening 2913/92/EG
(art. 1. Diergeneesmiddelenbesluit (DGB)).
Uitzondering
Zolang bovengenoemde handelingen niet plaatsvinden, vindt geen
invoer van een diergeneesmiddel plaats, bijvoorbeeld indien:
- een diergeneesmiddel niet in Nederland in het vrije verkeer
wordt gebracht maar onder toezicht van de douane in een entrepot is
geplaatst
- een diergeneesmiddel afkomstig is uit een EU lidstaat. Hiervoor
is uitsluitend een vergunning voor het afleveren van
diergeneesmiddelen vereist
- een product geen diergeneesmiddel maar een farmaceutische
grondstof is. Een grondstof is geen diergeneesmiddel, zolang deze
niet is bestemd om aan dieren te worden toegediend en de
aanduidingen op/aan/bij de grondstof geen diergeneeskundige claim
bevatten. Voor de import van grondstoffen is de vergunningplicht
ingevolge de Diergeneesmiddelenwet dus niet van
toepassing.
Een farmaceutische grondstof dient (ingevolge art. 50, 50 bis en
51 van de geconsolideerde Richtlijn 2001/82/EC) door de fabrikant
conform annex 18 van de GMP richtsnoeren voor de vervaardiging van
grondstoffen te zijn geproduceerd. Annex 18 is ook van toepassing
op een importeur/handelaar in grondstoffen.
Vergunningsplicht
Een vergunning voor de invoer van een diergeneesmiddel wordt
gelijkgesteld met een vergunning voor het bereiden van dat
diergeneesmiddel (art. 85 DGB). Zonder een vergunning voor het
bereiden is het verboden een diergeneesmiddel afkomstig uit een
derde land (gelegen buiten de EU, incl. IJsland en Noorwegen) in
Nederland in het vrije verkeer te brengen (art. 43 DGB).
Ditzelfde geldt voor een diergeneesmiddel afkomstig uit een
derde land, die in Nederland in het vrije verkeer is gebracht, af
te leveren aan een afnemer in een andere lidstaat (art. 44
DGB).
Bij een voornemen om een diergeneesmiddel in te voeren dient men
een vergunning voor het bereiden van een diergeneesmiddel aan te
vragen. Een vergunning wordt verstrekt ná opgave van de
diergeneesmiddelen welke men in het vrije verkeer wenst te brengen
en na beoordeling van de aanvraag.
Vergunningeisen
Degene die diergeneesmiddelen, afkomstig uit een derde land, in
Nederland in het vrije verkeer brengt, dient te voldoen aan
bepaalde vergunningeisen als vermeld in art. 60 van de
Diergeneesmiddelenregeling (DGR). Bij invoer vanuit bepaalde landen
kan ontheffing worden verleend voor bepaalde controles (art. 61
DGR)
Tevens dient men te beschikken over een deskundig persoon als
bedoeld in artikel 51 van de Diergeneesmiddelenregeling.
Vergunningeisen bij invoer vanuit derde landen (art. 60
DGR)
1. Bij invoer in de EU dient elke batch te worden
gecontroleerd en gecertificeerd voor vrijgifte voor distributie.
Dit heeft als doel te waarborgen dat de partij voldoet aan de
Europese GMP vereisten en het registratiedossier in het land van
bestemming. De importeur is voor deze controles en analyses
verantwoordelijk. Dit geldt ook voor diergeneesmiddelen welke na
invoer voor derde landen bestemd zijn.
2. Van elke partij worden door - of onder verantwoordelijkheid
van - een bevoegd persoon monsters van voldoende grootte
aangehouden voor het verrichten van kwalitatieve en kwantitatieve
analyses van alle werkzame bestanddelen en andere controles, om de
kwaliteit van de geneesmiddelen te waarborgen conform de GMP
richtsnoeren.
3. De analyses dienen conform hoofdstuk 2 van het
registratiedossier, binnen de EU te worden uitgevoerd. Elke partij
dient door een bevoegd persoon (gevestigd binnen de EU) te zijn
gecertificeerd ten behoeve van de vrijgifte voor distributie;
- op basis van het registratiedossier in het land van
bestemming;
- of een dossier welke door de QP van de importeur is opgesteld
(bij diergeneesmiddelen welke zijn vrijgesteld van de
registratieverplichting of welke bestemd zijn voor
export).
4. De fabrikant dient door de bevoegd persoon van de importeur
op de GMP eisen te zijn beoordeeld. De fabrikant dient conform de
GMP eisen een kwaliteitscontrole uit te voeren. In specifieke
gevallen kan de analyse in de EU als enige analyse gelden. Dit
dient in het registratiedossier en in contracten te worden
vastgelegd.
Vergunningeisen bij invoer vanuit landen waarmee de EU
een overeenkomst (MRA) heeft gesloten (art. 61
DGR)
Tussen de EU en enkele derde landen is – na
beoordeling van de onderlinge kwaliteitssystemen - een overeenkomst
(MRA: Mutual Recognition Agreement) afgesloten waardoor men de
fabrikanten welke een vergunning hebben wederzijds erkent.
Bedoelde derde landen zijn thans: Australië, Nieuw Zeeland,
Zwitserland en Canada. Het gevolg is dat een importeur bij de
batchcertificering voor vrijgifte van een partij, zich mag baseren
op de analysegegevens van de fabrikant van het diergeneesmiddel.
Zie art. 61 DGR.
1. Elke partij van een diergeneesmiddel dient te zijn
geproduceerd door een fabrikant welke in het bezit is van een door
de overheid verstrekte (farmaceutische) vergunning voor het mogen
bereiden van desbetreffende diergeneesmiddelen, conform de
Richtsnoeren voor een goede manier van produceren (GMP).
2. Van elke partij van een diergeneesmiddel is een door de
bevoegd persoon van de fabrikant ondertekend batchcertificaat
aanwezig, waaruit blijkt dat desbetreffende partij, overeenkomstig
de registratiebeschikking, de GMP richtsnoeren, en alle wettelijke
vereisten is vervaardigd en gecontroleerd.
3. Elke partij dient door een bevoegd persoon van de importeur
te worden gecertificeerd vóór de vrijgifte voor verkoop in de EU
(indien de bevoegd persoon akkoord gaat met de bevestiging van de
fabrikant, dat de partij overeenkomstig de registratiebeschikking,
de GMP richtsnoeren, en de wettelijke eisen is vervaardigd een
gecontroleerd).